Keuring NEN 3140 elektrische arbeidsmiddelen

Keuring NEN 3140 Elektrische arbeidmiddelenOp het gebied van elektrische veiligheid en in het kader van de ARBO wet is het de taak van de werkgever er voor te zorgen dat elektrisch gereedschap, machines en apparaten veilig te gebruiken zijn. Dit kan gerealiseerd worden door middel van de keuring NEN 3140.

Door het laten keuren van uw elektrische arbeidsmiddelen kunt u aantonen dat u “veilige” arbeidsmiddelen beschikbaar stelt aan uw werknemers. Keuringen en inspecties van elektrische gereedschappen, machines en apparatuur worden door HoMSS Keurmeesters uitgevoerd volgens de norm NEN 3140 :2011

In de norm NEN 3140 is vastgelegd dat elektrische arbeidsmiddelen regelmatig gekeurd dienen te worden.

Aan de keuring NEN 3140 worden de volgende eisen gesteld:

  • Een visuele controle;
  • Een controle door meting of beproeving;
  • Een registratie moet worden bijgehouden;
  • De inspectie moet aantoonbaar zijn;
  • Voor de gebruiker moet duidelijk zijn dat het te gebruiken gereedschap veilig is.

De norm NEN 3140 is vervangen voor de nieuwe norm NEN 3140 : 2011

De Arbobeleidsregels waren tot eind 2011 van kracht. De door de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) gehanteerde regels waren in de Arbeidsbeleid regels beschreven. Een van deze beleidsregels schreef  de NEN 3140 voor als minimale verplichting bij het keuren van elektrische arbeidsmiddelen. Dit was een directe link tussen de Arbowet en de NEN 3140

De Arbobeleidsregels zijn vervangen door Arbocatalogi. De door diverse branches en bedrijven opgestelde Arbo catalogi beschrijven hoe men om dient te gaan met de veiligheid van arbeidsmiddelen. De Arbobeleidsregels beschrijven op welke wijze de Arbeidsinspectie de geldende wetgeving interpreteert en dus ook handhaaft. Dit worden ook wel minimale beschermingsniveaus genoemd.

Een werkgever mag dus ook een andere vergelijkbare norm, bijvoorbeeld een  Amerikaanse of Duitse norm hanteren. Uitgangspunt is dat er minimaal een gelijk veiligheidsniveau wordt bereikt. In alle Arbo catalogi wordt voor wat betreft elektrische veiligheid verwezen naar de NEN 3140.

Aanvullende informatie keuring NEN 3140 elektrisch gereedschap, machines en apparatuur

Klik op de tab’s voor meer informatie over: 

De keuring NEN 3140 van elektrische arbeidsmiddelen bestaat in principe uit 3 delen.

  • Keuring NEN 3140 visuele inspectie
    Voor aanvang van de metingen dient een elektrisch arbeidsmiddel visueel te worden geïnspecteerd.
  • Keuring NEN 3140 metingen en beproevingen
    In de norm NEN 3140 wordt gesproken over een minimaal aantal zaken welke door metingen en beproevingen beoordeeld moeten worden.
  • Keuring NEN 3140 administratie en certificaten
    Wanneer de inspectie en metingen zijn verricht ontvangt u een sluitende aantoonbare administratie en testcertificaten voor al uw gekeurde arbeidsmiddelen.

Visuele inspectie

Voor aanvang van de meting dient een elektrisch arbeidsmiddel visueel te worden geinspecteerd. De NEN 3140 spreekt hierbij over de volgende inspectiepunten:

  • De mechanische toestand is in orde, rekening houdend met vocht, vuil en corrosie;
  • Beschermings- en aardingsleidingen zijn niet onderbroken;
  • Hulpmiddelen, bedieningsorganen, contacten, schakelaars en relais alsmede waarschuwingsborden en aanduidingen zijn in goede staat;
  • Aansluitleidingen of verplaatsbare leidingen zijn niet beschadigd of ondeugelijk gerepareerd;
  • Vrije ruimten en vluchtwegen bij schakel- en verdeelinrichtingen zijn goed toegankelijk;
  • Het elektrische arbeidsmiddel is bereikbaar voor bediening, onderhoud en inspectie;
  • Er zijn geen tekenen aanwezig die wijzen op een te hoge temperatuur;
  • Beveiligingstoestellen juist zijn gekozen en correct afgesteld en worden periodiek gecontroleerd volgens de aanwijzingen van de fabrikant;
  • Er zijn voldoende trekontlastingen aanwezig en leidingen zijn juist ingevoerd;
  • Contactstoppen en koppelcontactstoppen zijn niet beschadigd;
  • Er zijn geen mechanische of elektrische aanpassingen aangebracht, in het bijzonder in veiligheidsketens;
  • Het materiaal wordt toegepast overeenkomstig het ontwerp.

Metingen en beproevingen

In de norm NEN 3140 wordt gesproken over een minimaal aantal zaken welke door metingen en beproevingen beoordeeld moeten worden. Het betreft:

  • De weerstand van de beschermingsleiding;
  • De isolatieweerstand van het arbeidsmiddel;
  • De werking van de aardlekbeveiliging door bediening van de testknop;
  • De aanspreekstroom en -tijd van de aardlekbeveiliging;
  • De juiste werking van veiligheidscontacten en van elektrische en elektronische beveiligingsinrichtingen.

Online administratie en testcertificaten

Wanneer de inspectie en metingen zijn verricht ontvangt u een sluitende aantoonbare administratie en testcertificaten voor al uw gekeurde arbeidsmiddelen. Deze administratie heeft de volgende inhoud:

  • Overzicht lijsten van uw gekeurde arbeidsmiddelen
  • Test certificaten / inspectie rapporten visuele controles voor elk arbeidsmiddel
  • Keurmeester certificaten HoMSS Keurmeesters (bevoegdheid tot keuren)
  • Test instrument gegevens (kalibratie van de gebruikte meetapparatuur)

HoMSS Keurmeesters maakt gebruik van de online applicatie Gereedschapbeheer voor de administratie /  keuringsresultaten van haar klanten. Als klant kunt u inloggen op uw eigen web omgeving en heeft u de mogelijkheid al uw gekeurde arbeidsmiddelen in te zien, te downloaden en te printen.
De administratie kunt u ook in hardcopy en/of digitaal per email of op CD-ROM ontvangen.

Klik op de tab’s voor meer informatie over:

  • Wat volgens de NEN 3140 gekeurd dient te worden
    De NEN 3140 beschrijft dat alle elektrisch aangedreven machines, apparaten of toestellen, die door de aard van constructie of het gebruik een elektrisch gevaar kunnen opleveren, onderhevig zijn aan een periodieke inspectie / keuring NEN 3140
  • Uitleg over de metingen
    Bij het uitvoeren van de metingen wordt vaak gebruik gemaakt van meetapparatuur die speciaal is ontwikkeld voor het testen van elektrische arbeidsmiddelen. NEN 3140 wordt gesproken over een minimaal aantal zaken welke door metingen en beproevingen beoordeeld moeten worden.
  • Wat de ARBO Wet zegt over keuren en arbeidsmiddelen
    Enkele uitgelichte onderwerpen uit de arbeidsomstandighedenwetgeving met betrekking tot het keuren van arbeidsmiddelen.

Wat volgens de NEN 3140 gekeurd dient te worden

De NEN 3140 beschrijft dat alle elektrisch aangedreven machines, apparaten of toestellen, die door de aard van constructie of het gebruik een elektrisch gevaar kunnen opleveren, onderhevig zijn aan een periodieke inspectie. Voorbeelden van elektrische arbeidsmiddelen die volgens de norm NEN 3140 voor een periodieke inspectie in aanmerking komen zijn :

Elektrische handgereedschappen

Voorbeelden van elektrische handgereedschap zijn: boormachine, cirkelzaag, decoupeerzaag, verfstripper, haakse slijper, etc.

Maar ook uw acculader (230 V)  van het accugereedschap dient gekeurd te worden. Accugereedschap zelf valt onder “veilige spanning” (Wisselspanningen tot 50 volt en gelijkspanningen tot 120 V) en hoeft dus niet gekeurd te worden.

gereedschap1

Verplaatsbare elektrische werktuigen

Voorbeelden van verplaatsbare elektrische werktuigen zijn: compressor, zaagtafel, betonmixer, afkortzaag, etc.

werktuigen1

Handlampen en andere verplaatsbare lampen

Voorbeelden van verplaatsbare lampen zijn: looplampen, bouwlampen, werklampen, etc.

lampen1

Verplaatsbare leidingen, zoals verlengsnoeren en haspels

Voorbeelden van verplaatsbare leidingen zijn: zowel 230 V als 400 V-verlengsnoeren, haspels, verdeeldozen, etc.

leidingen1

 

Verplaatsbare stroomverbruikende toestellen en apparaten

Voorbeelden van verplaatsbare stroomverbruikende toestellen en apparaten zijn:  koelkasten, koffiezetters, laboratoriumapparatuur, computers, printers, stofzuigers, elektrische meetinstrumenten, etc.

toestellen1

 

Stationaire machines

Stationaire machines zijn vast opgestelde machines. Het gaat hier voornamelijk om krachtstroom 400 V machines, aangesloten met een contactstop of vast aangesloten op het lichtnet. Voor deze machines wordt een inspectie rapport opgemaakt. Hierin worden o.a. de veiligheids voorzieningen omschreven.

Voorbeelden van stationaire machines zijn: draaibank, zetbank, freesbank, kolomboormachine, etc.

 

stationaire1

Verplaatsbare schakel-en verdeelinrichtingen

Voorbeelden van verplaatsbare schakel-en verdeelinrichtingen zijn: bouwstroomkasten, paddestoelen, etc.

Deze verplaatsbare schakel-en verdeelinrichtingen dienen gekeurd te worden met inbegrip van met geïntegreerde aardlekschakelaars en beschermingstransformatoren.

 

stroomverdeel1

Oftewel: alle materieel waar een stekker aan is gemonteerd.
Let op: Ook bij vast opgestelde en apparatuur aangesloten op het lichtnet is de keuringsplicht van toepassing.
 

Uitleg over de metingen

Bij het uitvoeren van de metingen wordt vaak gebruik gemaakt van meetapparatuur die speciaal is ontwikkeld voor het testen van elektrische arbeidsmiddelen. NEN 3140 wordt gesproken over een minimaal aantal zaken welke door metingen en beproevingen beoordeeld moeten worden.

Metingen

Weerstand beschermingsleiding

Beschermingsleiding

Arbeidsmiddelen van beschermklasse I zijn voorzien van een beschermleiding welke in de volksmond ook wel de groen/gele aarddraad wordt genoemd. Deze beschermleiding wordt het arbeidsmiddel binnengevoerd en is eventueel via een verdeler aan één of meerdere uitwendige metalen delen van het arbeidsmiddel verbonden.

Het doel van de meting

Het doel van de beschermleiding is het beschermen van de gebruiker wanneer zich een aardlek voordoet. Bij een aardlek komen de uitwendige metalen delen onder spanning te staan en is het mogelijk dat de gebruiker geëlektrocuteerd wordt. Bij het optreden van de aardlek loopt de lekstroom via de beschermleiding terug naar de meterkast en schakelt de aardlekschakelaar uit. Een aardlekschakelaar is in feite een verschilstroommeter welke in geval van een aardlek een verschil tussen de heengaande en terugkomende stroom detecteert.

Duidelijk is dat de beschermleiding een belangrijke beschermfunctie vervult. De weerstand van de beschermleiding dient daarom laag te zijn. Het doel van de meting is dus om te bepalen of de beschermingsleiding aangesloten en van voldoende lage weerstand is. Als de beschermingsleiding niet (goed) is aangesloten zal de beveiliging bij een defect niet aanspreken en blijft er spanning op het metalen omhulsel van het apparaat staan. Is de weerstand te hoog, dan zal de beveiliging niet of te laat aanspreken.

Isolatieweerstand

Isolatieweerstand

Het kenmerk van klasse II apparatuur is dat de geleidende delen niet door middel van een beschermingsleiding zijn geaard. De uitwendige metalen delen zijn op een meervoudige wijze gescheiden van de elektrische delen in het apparaat. Deze isolatie vindt plaats door middel van isolatiemateriaal, isolerende afstandsbusjes, isolerende tandwielen, etc.

Doel van de meting

Het doel van de meting is het bepalen of de isolatie tussen de spanning voerende delen en de metalen delen van het arbeidsmiddel een voldoende hoge weerstand heeft. Is dat niet het geval, dan kan er spanning op de metalen delen komen te staan. Een spanning op de aanraakbare metalen delen van het arbeidsmiddel kan voor de gebruiker een gevaarlijke situatie opleveren.

Vervangende lekstroom

Vervangende lekstroom

Bij sommige klasse 1 apparaten is de isolatieweerstand meting niet goed uit te voeren. Bijvoorbeeld keramische verwarmingselementen kunnen het meetresultaat bij de isolatieweerstand meting ongunstig beïnvloeden. Hierdoor zou een apparaat afgekeurd kunnen worden, terwijl het bij normaal gebruik geen gevaar oplevert.

Doel van de meting

In het geval, als de isolatieweerstand te laag is, kan een lekstroommeting uitgevoerd worden. De lekstroom is de stroom die door de beschermleiding of via andere geleidende delen wegvloeit. Als de lekstroom wordt gemeten terwijl het apparaat normaal in bedrijf is, spreken we over de reële lekstroom. Om veiligheidsredenen wordt de lekstroom vaak gemeten met een veilige meetspanning. We spreken dan over de vervangende lekstroom. Voor een goede lekstroom meting moet het apparaat geïsoleerd ten opzichte van aarde zijn opgesteld.

Reële lekstroom

Reële lekstroom of verschilstroom

Er kunnen zich situaties voordoen dat de meting van de isolatieweerstand niet kan worden uitgevoerd. Ook kan het zijn dat niet alle onder spanning staande delen gemeten kunnen worden m.b.v. een isolatieweerstand  meting.

Doel van de meting

In deze gevallen kan een meting naar de reële lekstroom, ook wel verschilstroom genoemd worden uitgevoerd. Als de lekstroom wordt gemeten terwijl het apparaat normaal in bedrijf is, spreken we over de reële lekstroom.
Met deze differentiële methode kan de lekstroom worden vastgesteld en kan de volledige lekstroom van een testobject ter plaatse worden aangegeven. Als het testobject dus een extra aardpunt – bijvoorbeeld een waterleiding – heeft, zal het testapparaat de volledige en werkelijke lekstroom van het apparaat laten zien. Dit staat ook onder de naam differentiaallekstroom of verschillekstroom.

Aanraaklekstroom

Aanraaklekstroom

Bij sommige arbeidsmiddelen kan het meten van de isolatieweerstand een gevaar opleveren voor de elektronische componenten die erin zitten. Deze componenten kunnen door de meetspanning defect raken. Een aantal voorbeelden van deze arbeidsmiddelen zijn computers, printers en kopieermachines.

Doel van de meting

Om te bepalen of het apparaat toch veilig is kan in zo’n geval de aanrakingsstroom worden gemeten. De aanrakingsstroom is de stroom die door een mens zou gaan lopen als hij het apparaat aanraakt. Als deze stroom beneden een voor de mens gevaarlijke waarde blijft, is het arbeidsmiddel veilig.

Aardlekschakelaars

Uitschakeltijd van de aardlekschakelaar

Doel van de meting

Aardlekschakelaars zijn in veel gevallen bedoeld voor de veiligheid van mensen. Bij 30 mA aardlekschakelaars moet, vóór er een gevaarlijke stroom door een mens kan gaan, de aardlekschakelaar de elektriciteit uitschakelen. Van groot belang is dat de aardlekschakelaar bij een defect binnen de gestelde tijd uitschakelt. De  maximale uitschakeltijd is afhankelijk van de heersende stroomsterkte. Aardlekschakelaars met een uitschakelstroom van meer dan 30 mA bieden geen enkele (extra) veiligheid voor mensen!

Beschrijving meting

Het meetapparaat moet ingesteld worden op de nominale aanspreekstroom van de aardlekschakelaar. Er wordt nu, door een inwendige weerstand in het meetapparaat, een aardsluiting gecreëerd, gelijk aan de aanspreekstroom waarde  van de aardlekschakelaar. De aardlekschakelaar moet nu uitschakelen. Het meetapparaat registreert de uitschakeltijd. De aardlekschakelaar moet onbelast worden getest, dus zonder dat er andere apparatuur is aangesloten.

Uitschakelstroom van de aardlekschakelaar

Doel van de meting

Behalve de uitschakeltijd is het ook van belang te bepalen bij welke stroom de aardlekschakelaar uitschakelt. Hij mag bijvoorbeeld ook niet te vroeg uitschakelen, dit zou de gebruiker alleen maar irriteren en soms zelfs doen besluiten om buiten de aardlekschakelaar om te gaan werken.

Beschrijving meting

Het meetapparaat moet worden ingesteld op de aanspreekstroom waarde van de aardlekschakelaar. Er wordt nu, door een regelbare inwendige weerstand in het meetapparaat, een aardsluiting gecreëerd. De meting start met een meetstroom van 1/3 van de aanspreekstroom. De aardlekschakelaar mag op deze waarde niet uitschakelen. Vervolgens wordt de stroom opgevoerd tot de aardlekschakelaar uitschakelt.

Enkele uitgelichte onderwerpen van de ARBO Wet

Meer informatie kunt u vinden in het Arbeidsomstandighedenbesluit op de site wetten.nl.

Artikel 7.3. Geschiktheid arbeidsmiddelen

  1. Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die de werkgever ter beschikking stelt, wordt rekening gehouden met de uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, gebleken specifieke kenmerken van de arbeid, met de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, met de op de arbeidsplaats al bestaande gevaren en met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.
  2. Om te voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers oplevert, worden de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers worden gesteld, uitsluitend gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.
  3. Arbeidsmiddelen zijn voorts geschikt voor het uit te voeren werk of zijn daartoe behoorlijk aangepast.
  4. Voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is de gevaren bij het gebruik van de arbeidsmiddelen te voorkomen, worden zodanige maatregelen getroffen dat de gevaren zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 7.4. Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

  1. Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal.
  2. Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
  3. Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

Artikel 7.4a. Keuringen

  1. Een arbeidsmiddel waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie wordt na de installatie en voordat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
  2. Een arbeidsmiddel als bedoeld in het eerste lid, wordt  voorts na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
  3. Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd.
  4. Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt: natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel.
  5. Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.
  6. Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder.

Artikel 7.5. Montage, demontage, onderhoud, reparatie en reiniging van arbeidsmiddelen

  1. De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen.
  2. Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.
  4. Een bij een arbeidsmiddel behorend onderhoudsboek wordt goed bijgehouden.
  5. Montage en demontage van een arbeidsmiddel vindt op veilige wijze plaats, met inachtneming van de eventuele aanwijzingen van de fabrikant.

Artikel 7.6. Deskundigheid werknemers

  1. Met betrekking tot arbeidsmiddelen waarvan het gebruik een specifiek gevaar voor de veiligheid van de werknemers kan opleveren blijft het gebruik voorbehouden aan werknemers die met het gebruik belast zijn.
  2. Werknemers die belast zijn met het ombouwen, onderhouden, repareren of reinigen van arbeidsmiddelen als bedoeld in het eerste lid, bezitten daartoe een specifieke deskundigheid en ervaring.

Artikel 7.7. Veiligheidsvoorzieningen bewegende delen van arbeidsmiddelen

  1. Indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, zijn zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.
  2. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn stevig uitgevoerd.
  3. De schermen of beveiligingsinrichtingen leveren geen bijzondere gevaren op.
  4. De schermen of beveiligingsinrichtingen kunnen niet op eenvoudige wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld.
  5. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht.
  6. De schermen of beveiligingsinrichtingen belemmeren het zicht op de arbeid zo min mogelijk.
  7. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op een zodanige wijze aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de schermen of beveiligingsinrichtingen moeten worden gedemonteerd.

Artikel 7.8. Verlichting

In aanvulling op artikel 6.3 zijn werk- en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel voldoende en doelmatig verlicht.

Artikel 7.9. Hoge en lage temperatuur

Zoveel mogelijk wordt voorkomen dat werknemers in de onmiddellijke nabijheid komen van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan met een zeer hoge of zeer lage temperatuur. Indien dat niet mogelijk is, zijn doeltreffende maatregelen genomen om aanraking van dat arbeidsmiddel dan wel van dat onderdeel daarvan te voorkomen.

Artikel 7.10. Alarmsignalen

Alarmsignalen van een arbeidsmiddel zijn gemakkelijk en duidelijk waarneembaar en als zodanig goed herkenbaar. Zij voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 7.11. Loskoppelen arbeidsmiddel

  1. Een arbeidsmiddel beschikt over duidelijk herkenbare voorzieningen waarmee het van zijn krachtbronnen kan worden losgekoppeld.
  2. Het na loskoppeling opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel op zijn krachtbron levert geen gevaar op voor de werknemers.

Artikel 7.11a. Voorlichting

  1. Een bij een arbeidsmiddel behorende gebruiksaanwijzing wordt in begrijpelijke vorm ter kennis gebracht van de betrokken werknemers.
  2. Indien het gebruik of de aanwezigheid van arbeidsmiddelen in de onmiddellijke werkomgeving gevaren voor de werknemers kunnen opleveren, worden zij hierop gewezen, ook indien de werknemers van deze middelen geen rechtstreeks gebruik maken.

Artikel 7.13. Besturingssysteem en bedieningsorgaan

  1. Een besturingssysteem van een arbeidsmiddel is veilig.
  2. Een besturingssysteem levert ook bij onopzettelijke handelingen geen gevaar op voor de werknemers.
  3. Bij de keuze van een besturingssysteem wordt rekening gehouden met defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik van het besturingssysteem kunnen worden verwacht.
  4. Een bedieningsorgaan is duidelijk zichtbaar en herkenbaar en is daartoe, waar nodig, op passende wijze van functionele aanduidingen voorzien.
  5. Een bedieningsorgaan bevindt zich zoveel mogelijk buiten de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel.
  6. De plaats van het bedieningsorgaan levert geen extra gevaren op voor de werknemers.
  7. Indien een arbeidsmiddel in werking kan worden gesteld of kan worden gestopt op een plaats van waar dat arbeidsmiddel niet geheel kan worden gezien, wordt, om de betrokken werknemers te beschermen, telkens tijdig voor het inwerkingstellen of stoppen van dat arbeidsmiddel een signaal gegeven dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 7.14. In werking stellen van arbeidsmiddelen

  1. Een arbeidsmiddel kan uitsluitend in werking worden gesteld door een opzettelijk verrichte handeling met een daarvoor bestemd bedieningsorgaan.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het opnieuw in werking stellen na stilstand ongeacht de oorzaak daarvan, alsmede voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de werking van het arbeidsmiddel, tenzij het opnieuw inwerkingstellen of deze wijziging geen gevaren voor personen kunnen opleveren.
  3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het inwerkingstellen of wijzigen van de werking van een arbeidsmiddel behoort tot het normale programma van een automatische cyclus.

Artikel 7.15. Stopzetten van arbeidsmiddelen

  1. Een arbeidsmiddel kan op veilige wijze worden stopgezet met een daarvoor bestemd bedieningsorgaan. Een besturingssysteem stopt naar gelang het gevaar hetzij het gehele arbeidsmiddel hetzij onderdelen daarvan, zodanig dat het arbeidsmiddel in een veilige toestand is.
  2. Wanneer het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan zijn stopgezet, wordt de energietoevoer naar het arbeidsmiddel of de onderdelen daarvan die het gevaar veroorzaken, onderbroken.
  3. De opdracht tot het stopzetten van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan kan niet worden opgeheven door een opdracht tot starten van dat arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan.

Artikel 7.16. Noodstopvoorziening

Een arbeidsmiddel beschikt over een noodstopvoorziening, indien dit met het oog op de gevaren van dat arbeidsmiddel en de normale tijd die nodig is om dat arbeidsmiddel stop te zetten noodzakelijk is.